Leestijd: 25 minuten

Thuis bij Tito

In Montenegro leeft de dictator voort en bloeit de Joegonostalgie op

Met ferme hand regeerde Maarschalk Tito ruim drie decennia over Joegoslavië. Voor een van zijn zes deelrepublieken had hij een bijzonder zwak: Montenegro. Zijn erfenis is er nog altijd tastbaar en de Joegonostalgie tiert welig. Reisjournalist Sander Groen reist door het minuscule Balkanland in het voetspoor van de partizanenleider die het schopte tot ‘president voor het leven’.

“Dit is niet Montenegro.” Er sijpelt teleurstelling door in de stem van consul Marko Perković. Zijn consulaat is te vinden op een onvermoede plek: in de hoofdstraat van Tivat, op een vide boven het fotowinkeltje van zijn nurkse broer. Dit is geen gewoon consulaat, maar een consulaat voor een staat die niet meer bestaat: de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Ruim drie decennia na het uiteenvallen van het land wappert de rood-blauw-witte vlag met partizanenster hier fier en worden er nog altijd Joegoslavische paspoorten uitgegeven. Ooit kon men daarmee de hele wereld bereizen, nu kom je er zelfs buurland Kroatië niet mee binnen.

Ik tref de consul op het terras van zijn favoriete café aan de Obala Maršala Tita, de Maarschalk-Tito-Boulevard, een van de schaarse straten in Montenegro die niet hernoemd werden. Eens per jaar op 25 mei, de dag waarop Tito zijn verjaardag vierde (ook al werd hij naar alle waarschijnlijkheid geboren op 7 mei), vindt hier een herdenkingsmanifestatie plaats. Duizenden bezoekers verkleden zich in de uniformen van pioniers en partizanen, zingen uit volle borst het Joegoslavische volkslied en memoreren die goeie ouwe tijd, in het interbellum tussen de Tweede Wereldoorlog en de Derde Balkanoorlog, toen alles hier pais en vree was, onder toeziend oog van Tito. Joegonostalgie heet dat. Montenegro staat er bol van.

In Porto Montenegro toont het kleine Balkanlandje zich van haar modernste en mondainste kant

Hier liggen megajachten zoals deze relatief kleine 4You van 19 miljoen euro

Aan het einde van de pier ligt een klein cruiseschip, of nee, het is toch een megajacht

Jachthaven der superrijken

Tivat, een stadje van tienduizend zielen aan de Baai van Kotor, is het epicentrum van die heimwee naar het voormalige Joegoslavië. Vreemd, want juist hier toont het jongste onafhankelijke land van Europa zich van haar modernste en mondainste kant. Een vervallen Joegoslavische marinebasis werd getransformeerd tot super-de-luxe jachthaven met honderden ligplaatsen, waarvan vijftig voor megajachten. In het verlengde van de Maarschalk-Tito-Boulevard dobberen de drijvende paleizen van een Russische vastgoedmagnaat (4You, 47 meter, 19 miljoen euro), een Singaporese oliebaron (Ocean Paradise, 55 meter, 34 miljoen) en een Zwitserse farmaceuticatycoon (Vava II, 97 meter, 117 miljoen).

Helemaal aan het einde van de pier ligt een klein cruiseschip. Althans, zo lijkt het. Maar het blijkt wel degelijk een megajacht: de Golden Odyssey meet 123 meter en is eigendom van de Saoedische prins Khaled bin Sultan, die er 270 miljoen euro voor neertelde. Porto Montenegro, zoals de prestigieuze jachthaven heet, is het Monte-Carlo van de Balkan, het domein van de superrijken der aarde. Zij shoppen langs de kade bij Fendi, Tom Ford en Dolce & Gabbana, ontspannen in de spa van Pura Vida of plonzen in de infinity pool van de hippe jachtclub. Mochten ze de master bedroom van hun megajacht even zat zijn, dan boeken ze voor 1500 euro per nacht een suite met drie kamers in vijfsterrenhotel Regent. In een mum van tijd is Tivat getransformeerd van een onbeduidend provinciestadje in een toeristentrekker van jewelste.

“Ik doe wat alle consuls doen: reisdocumenten uitgeven en mijn land vertegenwoordigen. In de harten en hoofden van mensen bestaat Joegoslavië nog steeds”

De flonkerende megalomanie van Porto Montenegro staat in schril contrast met het chaotische kantoortje van consul Perković, vijf minuten lopen verderop. Uit het plafond bungelt een naakte spaarlamp en de airco is kapot; het is er een graad of veertig. De muren zijn behangen met een staatsieportret van Tito in Technicolor, zwartwitfoto’s van de maarschalk tijdens onderonsjes met collega-staatsmannen en een manshoog schilderij van de partizanenleider in kakikleurig uniform. Aan de muur hangt ook een schoolkaart uit de jaren 50, in de kast bungelt een smetteloos wit gala-uniform en op een plank staan tientallen boeken van en over Tito. Op deze tien vierkante meter is de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië nog springlevend.

Marko Perković, consul van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië

Geldig voor alle landen

Consul Perković is afgepeigerd. Hij is verwikkeld in een rechtszaak waarover hij niet uitweidt, behalve dat hij de hele dag heeft zitten zwoegen op een brief naar zijn advocaat – op dezelfde typemachine waarmee hij Joegoslavische paspoorten produceert. “Dit was het beste paspoort ter wereld,” zegt hij, terwijl hij het bordeauxrode boekje met gouden belettering omhoog houdt. “Kijk, het staat erin: ‘Geldig voor alle landen’. Dat was uniek. Europeanen konden alleen naar andere westerse landen, inwoners van het Oostblok alleen naar communistische landen. Het Joegoslavische paspoort was het enige waarmee je zowel in Oost als West vrij kon reizen. Wij reisden de hele wereld over.”

“Als leider van één land met twee alfabetten, drie talen, vier religies en vijf nationaliteiten hield Tito de zes republieken van Joegoslavië bij elkaar”

“Wil je ook een Joegoslavisch paspoort? Dat kan. Vul dit formulier in, lever twee pasfoto’s in en twintig euro, en dan kun je het morgen ophalen.” Geen bezoeker die vertrekt zonder zo’n nostalgisch paspoort, al is het allang niet meer geldig voor alle landen, maar niet meer dan een souvenir. In reisgidsen wordt het consulaat aangeprezen als curieuze toeristische attractie, maar Perković neemt zijn taak als consul reuze serieus. “Nee, dit is geen museum. Ik doe wat alle andere consuls doen: buitenlandse bezoekers ontvangen, reisdocumenten uitgeven en mijn land vertegenwoordigen. In de harten en hoofden van de mensen bestaat Joegoslavië nog steeds. En Tivat is de nieuwe hoofdstad.” Dan schalt ineens Hej Slaveni door het kantoortje – het Joegoslavische volkslied blijkt Perković’ beltoon.

Vroeger was alles beter, weet de consul. “Tito zei: ‘Geen van onze republieken zou iets zijn als we niet verenigd zouden zijn’. Als leider van één land met twee alfabetten, drie talen, vier religies en vijf nationaliteiten hield hij de zes republieken bij elkaar. Na zijn dood ging het bergafwaarts. Ja, we hebben nu democratie, maar de dingen zijn minder goed georganiseerd, de mensen hebben kopzorgen en de overheid is achterlijk.” Toch strijdt Perković niet voor de terugkeer van een verenigd Joegoslavië. “Dat zou ik natuurlijk wel willen, maar je moet realistisch blijven. Het is als met een vaas die kapot valt in duizend stukjes: die kun je wel lijmen, maar het wordt nooit meer wat het is geweest.”

Tweemaal daags rijdt de trein van Bar naar Belgrado en vice versa

Het Montenegrijnse deel van de spoorlijn is het mooist

De Blauwe Trein

Democratie is een groot goed, maar er kleeft ook een nadeel aan: stroperige besluitvorming. Van 1945 tot zijn dood in 1980 had Tito de absolute macht. Als hij een plan bedacht, dan werd het uitgevoerd – hoe absurd ook. Om bevriende staatshoofden als keizer Haile Selassie, president François Mitterand en koningin Elizabeth II in stijl te kunnen rondleiden door zijn imperium, liet Tito een privétrein bouwen. Voorzien van luxueuze woonvertrekken met complete badkamers, een vergaderzaal met mahoniehouten tafel en 28 lederen fauteuils, plus een rollend restaurant waar de champagne rijkelijk vloeide. Tito’s Blauwe Trein was een presidentieel paleis op wielen.

Maar wat is een trein zonder rails? Het Joegoslavische spoornet was te gering naar Tito’s zin en er moest dus een spoorlijn bij: van de federale hoofdstad Belgrado via de Montenegrijnse hoofdstad Titograd (nu Podgorica) naar Bar aan de Adriatische Rivièra. Eén probleem: het bergachtige binnenland van Montenegro was noest en woest en schier ondoordringbaar. De bouw duurde dan ook een kwart eeuw. In 1976 werd de spoorlijn feestelijk geopend. Het duurste stuk infrastructuur uit de geschiedenis van Joegoslavië is nu een van ’s werelds spectaculairste spoorwegen: 476 kilometer lang, met een hoogteverschil van duizend meter en met 254 tunnels en 435 bruggen, waaronder de hoogste spoorbrug van Europa.

Tweemaal daags rijdt er nu een trein van Bar naar Belgrado en vice versa, een reis van een half etmaal. Het mooiste deel ervan loopt in Montenegro: van de kust in tweeënhalf uur naar bergdorp Kolašin. Na vertrek rijdt de trein langs het strand, om vervolgens af te buigen naar het binnenland. Een zes kilometer lange tunnel en een brug over het Meer van Shkodër leiden naar hoofdstad Podgorica. En dan begint de grote klim, slingerend door de Morača-kloof en over het Mala Rijeka-viaduct, terwijl het uitzicht op de turkooizen rivier in de diepte almaar duizelingwekkender wordt. Het is een ideaal dagtripje voor toeristen die het strand even zat zijn. Met dank aan Tito.

Vertrekstation Bar aan de kust

Ron, Nick en Janet in de trein naar Belgrado

Treinstation Kolašin in de bergen

Steil omhoog

“Bizar dat er zo weinig toeristen aan boord zijn, zegt Ron. “Deze trip is minstens zo mooi als de beroemdste treinreizen in Zwitserland en Noorwegen.” De Welshman kan het weten: samen met zijn vrouw Janet bereisde hij heel Europa, bij voorkeur per spoor. Deze trein wordt vooral benut door forenzen: vanaf vertrekstation Bar blijven de coupés nagenoeg leeg, maar in Sutomore stromen ze vol, met passagiers die in de hoofdstad weer uitstappen. Ron en Janet reizen mee tot Kolašin. “We hebben een gids geboekt die ons meeneemt naar een natuurpark met een groot meer, omringd door een oerbos van vijf eeuwen oud. Dat moet bijzonder zijn.”

Zodra de forenzen zijn uitgestapt, begint voor de luttele toeristen aan boord het spectaculairste deel van de treinreis. Na Podgorica gaat het steil omhoog: over een afstand van 70 kilometer stijgt de spoorlijn duizend meter. De 19-jarige Nick uit Sydney steekt zijn hoofd uit het open raam om te zien hoe de rivier steeds verder in de diepte verdwijnt. Hij bewondert het panoramische uitzicht op de kloof met open mond. Nick is een van de weinige passagiers die meereist tot het eindpunt, de voormalige Joegoslavische hoofdstad Belgrado. “Daar wil ik het Huis der Bloemen bezoeken, het mausoleum van Tito.”

“Die beroemde Blauwe Trein van Tito, die bestaat nog steeds. Hij staat in Belgrado en wordt door het Servische spoorwegpersoneel liefdevol onderhouden”

De jonge Nick heeft zich ingelezen in de geschiedenis van deze spoorlijn. “Die beroemde Blauwe Trein van Tito, die bestaat nog steeds. Hij staat in Belgrado en wordt door het Servische spoorwegpersoneel liefdevol onderhouden.” In 2013 maakte de trein nog een reis van Belgrado naar Bar en retour. Britse kranten als The Telegraph en The Independent berichtten hoe 140 passagiers zich vergaapten aan de rollende weelde waarin Tito zijn bezoekers onderdompelde. Toch was er kennelijk geen markt voor; aan het einde van het seizoen ging de trein terug in de remise. “Jammer dat het niet meer kan,” verzucht Nick. “Maar het uitzicht is er niet minder om. Het landschap is spectaculair; ongelooflijk dat ze deze spoorlijn ooit hebben kunnen bouwen.”

De trein steekt de Morača-kloof over via de hoogste spoorbrug van Europa

Na Podgorica gaat het steil omhoog en verdwijnt de rivier steeds verder in de diepte

De 19-jarige Australiër Nick blijft aan boord tot eindpunt Belgrado

Joegoslavisch paradijs

“Wat Tito heeft gebouwd, kunnen zijn opvolgers niet eens schetsen, laat staan onderhouden.” Consul Perković is lang niet de enige Joegonostalgicus in Montenegro. Op het treinstation van Kolašin word ook ik opgewacht door mijn gids, Miki Bulatović. Terwijl hij zijn terreinwagen naar het nabijgelegen nationale park Biogradska Gora stuurt, haalt de boomlange veertiger herinneringen op. “Corruptie, werkloosheid en armoede, alle landen van voormalig Joegoslavië hebben ermee te kampen. Ten tijde van Tito bestond dat niet. Er was welvaart, vrede en vrijheid. De mensen waren gelukkig.”

“Dankzij Tito had de bevolking het goed: er was gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg en gratis vakantie. Voor de gewone man was Joegoslavië een paradijs”

Josip Broz Tito kwam aan de macht nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als partizanenleider de Duitse, Italiaanse en Hongaarse fascisten het land uit had gebonjourd. De verzetsheld werd partijleider, premier en uiteindelijk ‘president voor het leven’. Aanvankelijk koos hij voor anschluss bij de Sovjet-Unie, maar na een aanvaring met Stalin trok Tito zijn eigen plan. Joegoslavië werd een communistische staat met enerzijds opmerkelijke vrijheden – West-Europeanen vierden hier vakantie en Joegoslaven mochten vrij de wereld over reizen – en anderzijds een planeconomie en de onmiskenbare kenmerken van een dictatuur. Tijdens Tito’s regime verdwenen naar schatting 250 duizend Joegoslaven in het niets.

“Natuurlijk,” zegt Bulatović, “Tito was een despoot. Zijn geheime dienst was overal en dissidenten werden zonder pardon gearresteerd en zonder proces gevangengezet of geëxecuteerd. Maar daar hadden alleen de volksvijanden last van. Tito hield toch vooral de boel bij elkaar. Hij smeedde de zes republieken tot één federatie, waarin verschillende etnische bevolkingsgroepen vreedzaam samenleefden. En dat 35 jaar lang.” Bulatović denkt met plezier terug aan zijn jeugd, toen hij lid was van de Pioniers, de jeugdbeweging van de communistische partij. “Dankzij Tito had de bevolking het goed: er was gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg en gratis vakantie. Voor de gewone man was Joegoslavië een paradijs.”

In het nationale park Biogradska Gora is een educatieve wandelroute uitgestippeld

Kamperen kan ook in het op de Werelderfgoedlijst genoteerde natuurgebied

Miki Bulatović met zijn gezin bij zijn eko-katun in de bergen bij Kolašin

Afbrokkelend erfgoed

Bovenop een bergtop bestiert boerenzoon Bulatović nu een eko-katun, de Montenegrijnse versie van de agriturismo. ’s Zomers komen zijn gasten naar de grazige alpenweiden om de smoorhitte in de hoofdstad en aan de kust te ontvluchten, ’s winters wordt er geskied op de glooiende pistes van Kolašin 1450. Dat wintersportoord dateert nog uit de tijd van Tito. Ook hier worden nu miljoenen geïnvesteerd in de aanleg van een splinternieuw skioord. Vooruitlopend daarop breidt Bulatović zijn eco-accommodatie uit met tientallen traditionele herdershutten. Nu kan hij nog zeventig, maar straks 120 gasten herbergen. Hij is dan wel een Joegonostalgicus, maar maakt dankbaar gebruik van de vrije economie.

Volgens Bulatović is zo’n beetje de helft van de bevolking behept met Joegonostalgie. Overigens zonder daar verder consequenties aan te willen verbinden; de Montenegrijnen tonen weinig interesse in het behoud van hun communistisch erfgoed. In het hele land staan gebouwen, monumenten en staatshotels uit de tijd van Tito te verkrotten. Zoals Hotel Fjord in het hart van Kotor. Het meest luxueuze hotel van het Werelderfgoedstadje, met vijf sterren en 159 kamers en suites, opende in 1986, maar nog geen twintig jaar later sloot het alweer. Sinds 2005 staat het te verpieteren, op een A-locatie met een strand aan de fraaie baai en uitzicht op de Venetiaanse oude stad.

In de hoogtijdagen van het Joegoslavische toerisme, in de jaren 70 en 80, trok het communistische land miljoenen west-Europese bezoekers. De ‘pakketvakantie’ – vluchten plus hotel voor een prikkie – werd hier uitgevonden. Het toerisme was Tito’s stokpaardje: hij devalueerde de dinar om het land goedkoop te maken voor buitenlanders, bouwde de kust vol met hotels en liet overal betonnen stranden aanleggen – want kiezels of zand, dat was maar onpraktisch. Aan de overkant van de baai, in Risan, een van de oudste nederzettingen van Montenegro, staat ook Hotel Teuta leeg – nog zo’n brutalistisch betonnen bunkerhotel uit de socialistische tijd. Veel Montenegrijnen denken dan wel met weemoed terug aan Tito, maar springen slordig om met zijn erfenis.

Op het meer in het nationale park Biogradska Gora kunnen boottochtjes worden ondernomen

Her en der staat het erfgoed van Tito te verkrotten, zoals Hotel Fjord aan de Baai van Kotor

Villa Zeemeeuw

Zelf hield Tito hield ook van vakantie. Hij beschikte daartoe over 33 villa’s, verspreid over zijn zes republieken. Een ervan, op een groene heuvel in kuuroord Igalo, bleef in oorspronkelijke staat bewaard. Gewone stervelingen kunnen de villa bezoeken: voor drie euro krijgt men een rondleiding en op de koop toe een drankje. “Water, koffie of frisdrank. Chivas Regal niet inbegrepen,” grapt gids Alen Filipović, refererend aan het favoriete drankje van de dictator.

De deur wordt niet platgelopen; ik ben de enige bezoeker. Ook dit privé-vakantieparadijs verkeert in deplorabele toestand: de kozijnen rotten, de plafonds lekken, het behang bobbelt en het beton brokkelt. “We zouden de entreeprijs kunnen verhogen om het onderhoud te bekostigen,” zegt Filipović, “maar dan komt er waarschijnlijk helemaal niemand meer.”

“In dit aquarium zwom een zeldzame vissoort die extreem gevoelig is voor vervuiling. Als de vissen stierven, werd de watertoevoer meteen afgesloten”

In de herinnering van Joegonostalgici was Tito een verlicht leider van eenvoudige komaf; een boerenzoon uit een Kroatisch plattelandsdorp, die sober leefde en alles deed ten faveure van zijn volk. Ondanks het achterstallig onderhoud toont deze vakantievilla een heel ander beeld. In onmiskenbare jaren-70-stijl is Villa Galeb, alias Villa Zeemeeuw, van alle gemakken voorzien. De vergaderzaal deed ook dienst als huisbioscoop, in de entreehal was een huisbar met een drankkast vol Chivas, er is een riant binnenzwembad en een van de verdiepingen herbergt een hotel, compleet met lobby, receptie, tien tweepersoonskamers en vijf suites. Je zou hier zomaar verdwalen: het huis telt vier verdiepingen met een vloeroppervlak van 5.550 vierkante meter.

Villa Galeb was een van de 33 vakantiehuizen van Tito, verspreid over zijn zes republieken

De villa bleef in onmiskenbare jaren-70-stijl bewaard

De slaapkamer van Josip Broz Tito in zijn vakantievilla in Igalo

Kaviaar en koudvuur

Prins Charles van Groot-Brittannië, premier Sirimavo Bandaranaike van Ceylon en bondskanselier Willy Brandt van West-Duitsland kwamen er op huisbezoek. Collega-dictator Houari Boumédienne van Algerije dineerde hier met Tito in 1978. De met oorlogsonderscheidingen behangen heren kregen een feestmaal van zes gangen voorgeschoteld: blini’s met kaviaar, aspergecrèmesoep, kreeft met remouladesaus, gevulde kipkoteletten en zuiglam van het spit. Ditmaal bleef de drankkast op slot; de islamitische president werd diverse versgeperste sapjes geserveerd: van appels uit Bosnië, bessen uit Montenegro en ananas uit Slovenië.

De indeling verraadt veel over de paranoia van de dictator: de (gescheiden) slaap- en woonvertrekken van Josip en Jovanka zijn gesitueerd in het midden van de villa, zodat ze minder kwetsbaar zouden zijn voor aanslagen. In de kelder is een atoombunker – met plek voor eveneens 36 personen – en een vluchttunnel. Voor de toegang tot die bunker staat een intrigerend apparaat. “In dit aquarium zwom een zeldzame vissoort uit het Midden-Oosten, die extreem gevoelig is voor vervuiling,” vertelt Filipović. “Het drinkwater werd eerst hierdoorheen gepompt. Als de vissen stierven, werd de watertoevoer meteen afgesloten.” Van de veertig man personeel hadden er twee maar één taak: kijken of de vissen nog leefden.

Tito verbleef hier slechts vier keer, want tja, hij had dus nog 32 vakantievilla’s om uit te kiezen. Wel bleef hij dan lang: telkens een maand. De dictator kwakkelde met zijn bloedsomloop en kwam hier bovenal om te kuren. Het zwembad was geschikt voor thalassotherapie en de rest van de verdieping was ingericht als kuurcentrum, met zes behandelkamers met elk een ander bad tegen een andere kwaal. Het mocht niet baten: na zijn laatste verblijf overleed Tito in 1980 aan gangreen oftewel koudvuur. Niettemin is hij ruim drie decennia later in de harten van veel Montenegrijnen nog springlevend. 

Tito’s blauwmarmeren badkamer, compleet met massagetafel en kapsalon

First Lady Jovanka Broz had haar eigen slaapkamer, met zalmroze tapijt en bed

De villa beschikt over een inpandig hotel met vijftien kamers en suites

Een van de verdiepingen deed dienst als kuuroord, compleet met een binnenzwembad

Befaamd staatshotel
Het icoon van Montenegro, dat op alle ansichtkaarten prijkt, is het eilandje Sveti Stefan. Eeuwenlang was dit een gefortificeerd vissersdorpje, vlak voor de kust in de Adriatische Zee. Totdat Tito in de jaren 50 besloot om de bewoners te verbannen en het eiland te transformeren tot hotel. De vijftig huisjes werden hotelkamers en Sveti Stefan werd het eerste luxueuze vakantieoord van Joegoslavië. Marilyn Monroe, Elizabeth Taylor, Sophia Loren, Kirk Douglas, Richard Burton en Orson Welles sleten hier hun vakantiedagen. De dood van Tito betekende het begin van het einde voor het befaamde staatshotel. Totdat Aman Resorts het overnam: de Singaporese luxehotelketen had vijf jaar en 30 miljoen euro nodig om het eilandhotel tot in de puntjes te restaureren. In 2012 heropende het en weer staan de sterren in de rij, onder wie Brad Pitt, Bruce Willis en Sylvester Stallone. Tito zelf logeerde destijds liever aan de overkant, in Villa Miločer, oorspronkelijk gebouwd in 1934 als het zomerpaleis van koningin Marie van Roemenië. De villa behoort nu ook tot het Aman, als dependance met louter suites. Tito sliep op de begane grond in wat nu de bibliotheek is, de slaapkamer van First Lady Jovanka fungeert nu als vergaderzaal.

De middeleeuwse huisjes van mini-eilandje Sveti Stefan herbergen nu een super-de-luxe hotel

Nog 5 Tito-attracties
Bosnië Tito was als de dood voor de atoombom en liet bunkers bouwen door het hele land. De grootste bevindt zich ten zuidwesten van Sarajevo, 300 meter onder de grond, met honderd kamers en plek voor 350 van zijn trouwste kameraden. De bouw duurde 26 jaar – kort na de oplevering ging de dictator dood.
Servië In de hoofdstad van Joegoslavië, vlakbij het Witte Paleis, staat het Huis der Bloemen, de wintertuin die Tito voor zichzelf liet bouwen in 1975 en waar hij vijf jaar later werd begraven. Het mausoleum en het aanpalende Joegoslavisch Historisch Museum worden druk bezocht, vooral op 25 mei, Tito’s officiële geboortedag.
Slovenië Een van de 32 andere vakantievilla’s staat aan het Meer van Bled en is nu een viersterrenhotel, met 31 kamers, café, restaurant en spa. Vila Bled is ingericht in nostalgische jaren-50-stijl, compleet met visgraatparket, cocktailstoeltjes, kleurenfoto’s van Tito en zijn kameraden en socialistische muurschilderingen.
Kroatië Volgens de overlevering werd Tito geboren in een eenvoudig huis in het Kroatische Kumrovec, op de grens met Slovenië. Tijdens Tito’s regime werd het dorp gereconstrueerd, daarna raakte het in verval, inmiddels is het weer opgelapt. Het geboortehuis is nu een Tito-museum, ernaast staat een bronzen beeld van de maarschalk.
Kroatië De helft van het jaar was Tito te vinden in zijn zomerpaleis op het eiland Veli Brioni, voor de Istrische kust. Honderd staatshoofden kwamen op bezoek, plus filmsterren als Sophia Loren, Elizabeth Taylor en Gina Lollobrigida. Tito’ safaripark, vol cadeau gekregen zebra’s, struisvogels en olifanten is ook nu nog de topattractie.

Tito verbleef zelf in de tegenover Sveti Stefan gelegen Villa Miločer, nu onderdeel van het Aman Resort

Logeren in Montenegro
Herceg Novi Tito’s villa ‘Zeemeeuw’ staat in kuuroord Igalo, aan de rand van Herceg Novi. Op vijf minuten lopen staat viersterrenhotel Palmon Bay (2pk va. € 85), zonder enige Tito-connectie, maar met 204 ruime kamers en suites, gratis wifi, fraai uitzicht op de Baai van Kotor, een zwembad en een puike spa.
Sveti Stefan Het eilandje dat op alle Montenegrijnse ansichtkaarten prijkt, werd in de jaren 50 door Tito getransformeerd van vissersdorpje tot staatshotel. Nu is het een super-de-luxe Aman Resort (2pk va. € 1000) met 50 kamers. Ook Villa Miločer, waar Tito zelf overnachtte, hoort erbij, met 8 suites. Een baaitje verderop staat een splinternieuwe spa.
Budva Legio socialistische hotels zijn verlaten, zo niet Slovenska Plaža (2pk va. € 50) uit 1984, in ‘het Salou van Montenegro’. Het idee van architect Janez Kobe was puik: een mediterraan vakantiedorp met louter laagbouw, maar met 1.985 bedden en talloze restaurants, zwembaden, winkelstraten en Russische toeristen is het er vooral rumoerig.
Kolašin In de bergen rond Kolašin vocht maarschalk Tito met zijn partizanen tegen de fascisten. Later als president liet hij in het piepkleine bergdorpje het grote Hotel Bjelasica bouwen, nu omgedoopt tot Bianca Resort & Spa (2pk va. € 75). ’s Zomers een goede uitvalsbasis voor nationaal park Biogradska Gora, ’s winters wordt er geskied.
Durmitor Tito joeg graag op everzwijnen, steenbokken en beren in het groene en bergachtige noorden van Montenegro in Durmitor, dat nu een nationaal park is dat genoteerd staat op de Werelderfgoedlijst. Zijn voormalige jachthuis is nu Hotel Ravnjak (2pk va. € 35) met zes kamers en een restaurant midden in de natuur.

Tito’s slaapkamer in Villa Miločer doet nu dienst als bibliotheek

Praktische informatie
Consul Het Consulaat van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië is op afspraak te bezoeken: Palih Boraca 21C, Tivat, e-mail, tel. +382 67 291 143.
Trein Tweemaal daags rijdt de trein in beide richtingen: vertrek uit Bar om 09:00 en 19:00 uur, vanuit Belgrado om 09:10 en 20:10 uur. Enkeltje € 32, reistijd 11 uur, info
Villa Rondleidingen door Tito’s Villa Galeb in Igalo zijn er op maandag, woensdag, vrijdag en zondag om 18:00 en 19:15 uur, entree € 3

Gratis nieuwsbrief
Wil jij mijn reisreportages in je mailbox? Ik stuur je graag eens per kwartaal mijn nieuwsbrief.

error: © Sander Groen • Reisjournalist