Leestijd: 14 minuten

Traag treinen door groen Spanje

Van de Pyreneeën naar Galicië kronkelt achthonderd kilometer lang een eigenwijs smalspoor – met keus uit tweehonderdvijftig uitstapstationnetjes de langzaamste én leukste manier om Spanjes groene noordkust te verkennen.

De toon is meteen gezet bij aankomst in Hendaye, een Frans vakantiestadje ingeklemd tussen de Pyreneeën en de Golf van Biskaje. Onderweg vanuit Parijs legde de maitre de voiture ons in de watten met gratis koffie en broodjes en koekjes en zuurtjes en zal ik uw rugkussentje even opschudden, totdat we uitstappen in een flonkerend spoorwegpaleis van heb ik jou daar. Het zachtroze station van de Franse spoormaatschappij SNCF is groots en meeslepend en doet recht aan zijn functie als eindpunt van de TGV Atlantique.

We steken het stationsplein over en zoeken ons een ongeluk naar het ándere station, dat van de Baskische treinmaatschappij EuskoTren. In een stiekem hoekje verscholen achter een hoge loofboom staat een roodbakstenen blokkendoos met ‘Eusko’ op de gevel – de andere plakletters zijn er lang geleden afgevallen. Dit ministation met één spoor is het vertrekpunt van een trage en hobbelige maar formidabele droomreis langs de groene Noord-Spaanse kust.

Achthonderd kilometer telt het smalspoor van Hendaye naar Ferrol, helemaal aan de andere kant van Spanje. Doe je het in één ruk, dan duurt de reis negentien uur. Maar dat zou zonde zijn, want het boemeltje stopt liefst tweehonderdvijftig keer, in knappe steden als San Sebastian, Bilbao, Santander en Gijón, maar ook in piepkleine pittoreske vissersdorpjes en bij stille strandjes. Trek daar maar een week of twee voor uit.

Rio in Baskenland

Het babyblauwe boemeltreintje dat vertrekt vanuit Hendaye, of Hendaia op z’n Spaans, heet in de volksmond El Topo; de mol. Ruim de helft van het spoor loopt in het stikdonker, dwars door ellenlange tunnels onder de uitlopers van de Pyreneeën. Van het spectaculaire landschap vangen we maar een glimp op, maar zodra we uitstappen in San Sebastian geloven we onze ogen niet.

Geen Hollander die het weet, maar sinds koningin Isabel hier in de belle époque vakantievierde is San Sebastian is het favoriete vakantieparadijs van de Madrilenen – ‘Madrid aan Zee’ heet de stad ook wel. Dat is niet zomaar, want dit is met stip de mooiste en chicste badplaats van Spanje.

De natuurlijke ligging van San Sebastian doet niet onder voor die van Rio de Janeiro. Het Copacabana van Spanje loopt langs de kogelronde Bahía de la Concha helemaal van de Monte Urgull met een kasteel en Christusbeeld op de top naar de Monte Igeldo met bovenop een pretpark. Vijf kilometer strandvertier, compleet met kleurige kleedhokjes, fleurige parasols en zonnebakbedjes, en de keus uit simpele strandbarretjes voor een ijskoud biertje of chiquere paviljoens voor een maaltijd met zeezicht.

Verse vis aan de haven

Wie de tijd heeft, is in San Sebastian zomaar een week zoet. Wij proberen de stad in een weekend te proppen en rennen aldus als een malle over het kilometerslange goudgele zandstrand, van de ene naar de andere pretberg, hup op het veerbootje naar het eilandje Santa Clara, bij mooi weer een picknickparadijs pur sang, bestellen op een terras aan het wondermooie Plaza de la Constitución snel een bord vol pintxos, de Baskische variant van tapas, en pikken en passant een museum zus mee en een koninklijk zomerpaleis zo. Hijgend en puffend stappen we in de trein voor een uitstapje, want San Sebastian is nog maar het begin.

Twintig minuten treinen verderop ligt een lint van kekke kustdorpjes. Wie efficiënt plant, stapt uit in Zarautz, slentert over het strand naar Getaria, dat met een kloek kerkje, haven vol fleurige vissersbootjes en een muisvormig schiereilandje parmantig de zee in prikt. En dan al wandelend langs een stuk grillige rotskust met meeslepend zeezicht door naar Deba, alwaar de trein klaarstaat om u met ingetogen spoed terug naar uw hotel te boemelen.

Die laatste etappe verruilen wij ditmaal voor tijd om te treuzelen. We dwalen door smalle straatjes, zonnebakken op het goudgele zandstrand en eten een hapje aan de haven. Peperduur of op z’n minst prijzig zijn de restaurants hier, maar lange wachtrijen voor de terrassen bewijzen dat het vrolijke vissersdorp Getaria een van ’s lands beste plekken is om te smikkelen en smullen van een spartelvers visje.

Ggoeggengéejm

El Botxo noemen de inwoners hun stad; Het Gat. Bilbao was dan ook ooit een vergeten en smerige industriestad op de oevers van de poepbruine, stinkende Nervión. Architect Frank Gehry kwam kijken, tikte voor een prikkie een scheepslading waardevol titanium op de kop en bouwde een van ’s werelds beroemdste gebouwen: het Guggenheim-museum.

Sindsdien is alles anders. Honderden roestende scheepskranen zijn opgeruimd en de rivieroevers omgetoverd in keurig geplaveide flaneerboulevards met hightech-designbruggen en veel groen. Toeristen, die eerder in Bilbao niet dood gevonden wilden worden, stonden ineens in drommen voor de stadspoort. In tien jaar tijd werd de halve stad opnieuw opgebouwd en in de andere helft verdringen de hijskranen zich nu om elk stukje braakliggend terrein. Bilbao is booming.

Volgens de museale audiogids wordt al die bouwwoede keurig afgestemd op de architectuur van het Guggenheim. Maar die is nu eenmaal onnavolgbaar, en het is zeer twijfelachtig of de dertien-in-een-dozijn-blokkendozen die uit de grond worden gestampt Gehry’s goedkeuring zouden krijgen. Niettemin is het Guggenheim – een naam die ze hier heus niet uit hun strot krijgen, het wordt zoiets als Ggoeggengéejm – de toeristische topattractie die Bilbao erbovenop hielp.

Eiffel in Bilbao

Maar Bilbao is méér dan het Guggenheim. Het is een stad met grootse architectuur uit andere tijden, een oude stad met kathedralen en kerken en pronkpaleizen en operahuizen en theaters, allemaal spic en span opgeknapt, een fijne rivier die allang niet meer stinkt, en puike pleinen met terrassen vol levensgenietende locals die zich met het zonnetje op hun bolletje te goed doen aan pintxos met Baskische biertjes. Eén probleem maar: Bilbao heeft geen strand. En zo vlakbij de azuurblauwe zee begint dat snel te steken.

Op naar Getxo dus, ditmaal niet per trein, maar per flitsende metro, van spoorstaaf tot zitbank ontworpen door Sir Norman Foster – die van de Berlijnse Rijksdag. Getxo is Bilbao aan zee, waar de lokale bevolking op warme dagen komt afkoelen met een cornetto of raketje. Maar nu even niet; een dik grijs wolkendek pakt zich samen boven het voormalige vissersdorp en het strand stroomt leeg. Prima reden om direct door te wandelen naar de historische topattractie.

Getxo is met het naburige Portugalete aan de overkant van de rivier verbonden met een brug zo bijzonder dat hij door de Unesco werd genoteerd op de Werelderfgoedlijst. Het is een imposant ding, die oudste ‘transporterbrug’ ter wereld, een jaar na de Eiffeltoren gebouwd door een hulpje van Eiffel zelve. Het gietijzeren gevaarte overspant de 160 meter brede rivier, eronder bungelt een bakje met plek voor wat auto’s en passagiers, die voor vooroorlogse prijzen naar de overkant worden gebungeld. Een kermisattractie uit de Industriële Revolutie.

Appeltjesgroen Spanje

Grijs en miserabel, zo ligt Santander erbij als we het Plaza de las Estaciones opwandelen. En dat terwijl de hoofdstad van Cantabrië toch als twee druppels water lijkt op Baskisch broertje San Sebastian; ook hier een beschutte blauwe baai met statige gebouwen langs lange slenterboulevards en kilometers zandstrand, mini-eilandjes en een groene pretberg met een koninklijk zomerpaleis. Santander is volgens de toeristische stadsplattegrond een Ciudad Excelente. Klopt, maar toch minder zomers, zo zonder zon.

We zijn nu pas echt doorgedrongen in het Groene Spanje, dat natuurlijk niet voor niets zo wordt genoemd. De noordelijke kuststrook is, in tegenstelling tot de rest van Spanje dat overwegend droog en dor is, inderdaad fris appeltjesgroen – want hier komt de regen het ganse jaar met bakken uit de hemel. De Picos de Europa, het majestueuze bergmassief met toppen tot ruim 2500 meter, zorgen ervoor zorgen dat de donderwolken, die over de Atlantische Oceaan komen aandrijven, geen kant op kunnen en noodgedwongen hun plensbuien hier lozen. Leuk voor de bloemetjes en de bijtjes, minder voor zonaanbidders.

Elk nadeel heeft z’n voordeel: het weer is hier zó grillig, dat het een paar treinstationnetjes verderop zomaar wél zomer is. In Santillana del Mar komen de zonneklep en Ambre Solaire weer tevoorschijn.

Los Flintstones

Wat de naam je ook wil doen geloven: Santillana del Mar ligt niet aan zee. Maar het is wél een puike teletijdmachine, waar de geschiedenis waait door de zongeblaakte slingerstraatjes vol honingkleurige kloosters, pronkpaleizen en kunstig gedecoreerde casa’s. Het gehucht bezwijkt bijna onder de busladingen dagjesmensen, maar neem dat niemand kwalijk, want het is hier fantastisch. Santillana is misschien wel Spanjes mooiste dorp. Goed voor een volle dag vertier en als het even kan een overnachting in de plaatselijke parador – want ’s avonds heb je de middeleeuwse straatjes zomaar voor jezelf.

Een paleolithische trekpleister die volledige volksstammen op de been brengt, ligt op wandelafstand: de Grot van Altamira, ook al een Unesco-Werelderfgoed vanwege de vijftienduizend jaar oude oranjerode rotstekeningen van kuddes bisons, oerpaarden, herten en wilde zwijnen. Alleen is de grot op slot. Sinds de ontdekking in 1879 trok de grot jaarlijks honderdduizenden bezoekers, totdat bleek dat de rotstekeningen erdoor verbleekten. Het bezoekersaantal werd beperkt tot twintig per dag, met een wachtlijst van drie jaar tot gevolg, en een paar jaar terug ging de grot definitief dicht.

Niettemin komen de bezoekers nog steeds in drommen. Zij vermaken zich nu in een museum dat interactief uitlegt hoe de grotbewoners leefden als Spaanse Flintstones en het hoe en waarom van de tekeningen. Ook het raadsel hoe die zo puntgaaf bewaard bleven, wordt opgehelderd – dertienduizend jaar geleden sloot een aardverschuiving de grot hermetisch af. Een replica op ware grootte, met engelengeduld in elkaar gepapier-macheed, geeft een indruk van de grot – hoewel die neocueva stiekem toch doet denken aan Anton Pieck.

Gril van Gaudí

‘De Gril’, zo heet het knibbel-knabbel-knuisje-huisje van Antoni Gaudí, even verderop in het prachtdorp Comillas. Het is een van de twee gebouwen die de Catalaanse meestermodernist buiten zijn geboortestreek bouwde – het ander is het bisschoppelijk paleis in Astorga bij León – en het kleinste, maar ook het gekste. Een fantastisch minikasteeltje is het, met plompe pilaren, gracieuze gietijzeren zitjes, golvende roodbakstenen muurtjes versierd met groene glazuurtegeltjes met fleurige gele zonnebloemen, en een volmaakt doelloze sprookjestoren met een balkonnetje in de top – waar elk moment Raponsel kan verschijnen om haar vlechten neer te laten.

De eerste Markies van Comillas was dol op het Catalaanse modernisme van Gaudí en consorten, en zo werd dit dorp, duizend kilometer van Gaudí’s meesterwerken in Barcelona, behalve bekoorlijke badplaats bovenal een modernistische buitenpost. Naast El Capricho de Gaudí zijn het zomerpaleis van de markies, de aanpalende kapel, de pontificale universiteit, een reusachtig monument met standbeeld van de markies en de begraafplaats stuk voor stuk meeslepend modernistisch – de laatste twee van de hand van Domènech i Montaner, beroemd om zijn Barcelonese Palau de la Música Catalana.

In Gaudí’s sprookjeskasteel huist nu een tamelijk chic restaurant, en reserveren voor een diner – twintig euro voor drie gangen – is de enige manier om het goed bewaard gebleven interieur te bewonderen. Wij hebben de lunch gemist en overwegen om daarom maar een hotelkamer in Comillas te boeken, want het restaurant hanteert intens Spaanse etenstijden – pas om negen uur ’s avonds zwaait de zwierige deur weer open.

Asturische uitstapjes

Terug in Santander breekt toch nog de zon door als wij instappen voor de langste ruk: in vijf uur helemaal naar Gijón. Geeft niks; het is een spectaculaire treinreis, met de Costa Verde aan de ene en de Cordillera Cantabrica aan de andere kant, pal langs schattige strandjes aan azuurblauwe baaien en pittoreske dorpjes in een glooiend groen knollenland vol tevreden grazend vee en op de achtergrond de eeuwig besneeuwde toppen van de Picos – Bob Ross zou er wel raad mee weten.

Het is goed toeven in Gijón. Ook in Asturië is zonneschijn zeldzaam, maar vandaag is het raak. Het kogelronde schiereilandje dat op alle toeristenfolders prijkt, ligt er pittoresk bij, met precies genoeg plek voor de oude stad, een knap kerkje, een antieke tabaksfabriek en een aangeharkt luilekkerpark met zeezicht plus een buitenproportioneel kunstwerk van Eduardo Chillida. Ook bij minder mooi weer is er vermaak voorhanden, zoals de overdekte ruïnes van een tweeduizend jaar oud Romeins badhuis en een paar uitstekende musea, met het Asturisch Museum aan kop.

Bij de lokale VVV blijkt dat er boeken zijn volgeschreven over de legio Asturische uitstapjes die hiervandaan te maken zijn. Wij kiezen Cudillero, een belachelijk pittoresk vissersdorp met huisjes die zonder hoogtevrees in kringetjes tegen de rotsen opgestapeld zijn – prachtig, maar zodra we de eerste échte Atlantische plensbui over ons heen krijgen, worden alle toeristische activiteiten subiet gestaakt. Geluk bij een ongeluk: waar vissers zijn, is verse vis, en even later zitten we onder een parasol, die ook prima dienstdoet als reuzenparaplu, aan de minihaven te smikkelen en smullen.

Franco’s geboorteplaats

Het lekkerst is voor het laatst. Tenminste, zo zou het moeten zijn – maar Ferrol blijkt een eindbestemming van lik-m’n-vestje. El Ferrol del Caudillo heette het hier ooit, en dicator Franco zorgde er hoogstpersoonlijk voor dat zijn geboorteplaats werd opgestuwd in de vaart der volkeren. Gevolg: de complete kust is opgeslokt door industrie, scheepswerven en een enorme marinebasis.

Hét favoriete tijdverdrijf van Spaanse kustbewoners, lukraak heen en weer flaneren over de boulevard, is er in Ferrol niet bij. Want de zee, die zie je niet – behalve vanuit ons hotelkamerraam op grote hoogte. De scheepskranen en marineschepen op de voorgrond zijn de roestende getuigen dat de havenstad is verzonken in een diepe, deprimerende identiteitscrisis. Zet hier een Guggenheim neer en wie weet wordt het nog wat, maar nu is het niks.

Smokkelen mag best, besluiten we. Gedag tegen de gemoedelijke boemels van EuskoTren en FEVE, de laatste twee particuliere spoormaatschappijtjes van Spanje die samen het smalspoor bestieren tussen Hendaye en Ferrol, en instappen maar in de flonkerende flitstrein van RENFE, de NS van Spanje. Want vlakbij ligt een van de mooiste steden van het land: Santiago de Compostela.

Het beroemdste bedevaartsoord van Europa is een toepasselijke eindbestemming, want onbedoeld volgde onze hele treinreis de Camino del Norte, de noordelijke kustroute van het pelgrimspad naar Santiago. Met het hoofd in de nek vergapen we ons aan de kolossale kathedraal en duizend-en-een bezienswaardigheden, dolen lukraak door smalle straatjes met barokke pronkpaleizen en luieren erop los met een kloek Spaans boek en een café con leche op een panoramaterras aan het wondermooie Praza da Quintana. La buena vida – zo is het lekkerst toch nog voor het laatst. 

Praktische Informatie
Hoe kom je er?
Hendaye is prima bereikbaar per trein: neem de Thalys naar Parijs en stap over op de TGV Atlantique. De totale reisduur, inclusief overstap en ruim tijd voor een Parijse lunch, is elf uur, enkele reis ca. € 150; zie www.tgv.com. De terugreis van Santiago de Compostela naar Amsterdam gaat goedkoop met Air Berlin, enkel vanaf € 69 all-in, www.airberlin.nl. Compensatie van de CO2-uitstoot kost € 4,99; zie www.greenseat.nl.
Treinreis
EuskoTren rijdt van Hendaye tot Bilbao, daarvandaan berijdt FEVE de rest van het traject. Opgelet: de verschillende maatschappijen hebben meestal elk hun eigen treinstation – vraagt u naar ‘het treinstation’, dan wordt u naar de staatsspoormaatschappij RENFE verwezen, en daar moet u niet wezen. In Hendaye is het EuskoTren-station schuin tegenover het SNCF-station. In San Sebastian gebruikt EuskoTren het Estación de Amara aan Plaza Easo. In Bilbao arriveert u met EuskoTren op het Estación Atxuri op de rechter rivieroever, en vertrekt u op de linkeroever met FEVE vanuit het Estación de la Concordia. In Santander staan de stations van FEVE en RENFE naast elkaar aan het Plaza de las Estaciones. Verder wijst het zich vanzelf. De dienstregelingen van EuskoTren en FEVE zijn níet opgenomen in de internationale treinplanner, u vindt ze, louter in het Spaans, op www.euskotren.es en www.feve.es.
Informatie
Spaans Verkeersbureau, tel. 070 346 5900, www.spaansverkeersbureau.nl.
Oorspronkelijk gepubliceerd in:

Gratis nieuwsbrief
Wil jij mijn reisreportages in je mailbox? Ik stuur je graag eens per kwartaal mijn nieuwsbrief.

error: © Sander Groen • Reisjournalist