Leestijd: 23 minuten

Het Verre Oosten van Singapore

Deze vier uithoeken in de futuristische ministaat zijn nog lekker oriëntaals

Singapore is zo futuristisch, verwesterd en toeristisch dat het meer op Disneyland lijkt dan op Azië. In het oosten van het miniland liggen een rosse buurt, hipsterwijk, kustdorp en jungle-eiland waar bezoekers nog zeldzaam zijn. Reisjournalist Sander Groen neemt u mee naar het échte Singapore.

“De neusgaten van een waterbuffel penetreren. Dat is hier verboden, op straffe van twintig jaar cel, een geldboete en stokslagen. Zo staat het in de wet. Hoe modern Singapore ook is, het strafrecht dateert nog uit de koloniale tijd. Prostitutie is niet illegaal, maar wel alles wat ermee te maken heeft, zoals pooiers en bordelen. Alleen in Geylang worden die gedoogd.” Leong Woon Gwee slentert door de lorongs of zijstraatjes van Geylang Road, terwijl hij vertelt over wat het daglicht niet verdragen kan. Op een straathoek posteert een clubje koket uitgedoste dames. “Uhm, die dames,” zegt Gwee, “dat zijn jongens.”

Voor hoerenlopers is Geylang de heilige graal: zo’n tweehonderd bordelen zijn er, met elk pakweg een dozijn prostituees. De gebruikelijke rode lampjes zijn nergens te bekennen; in deze rosse buurt zijn de verwenhuizen herkenbaar aan hun grote en opvallend verlichte huisnummers. Bordelen, massagesalons, sekswinkels, karaokebars en hotels-met-uurtarief wisselen elkaar af. In een steegje worden de welbekende blauwe potentiepillen clandestien verhandeld, om de hoek staat een groepje mannen met grof geld te gokken. “Alle zonden zijn hier verkrijgbaar,” zegt Gwee. “This is our paradise of vice.”

Behalve berucht als rosse buurt is Geylang ook beroemd als eetmekka

Bij dit kraampje op Geylang Road kan men terecht voor de onwelriekende doerian

Food or flesh

Singapore kent u als het welvarendste stukje van Zuidoost-Azië. Een eilandstaat die gerund wordt als een efficiënt bedrijf en van rand tot rand is volgebouwd met luxehotels, shopping malls en wolkenkrabbers. Met de hoogste infinity pool ter wereld, een stadspark vol kolossale kunstbomen en een Chinatown waar de antieke huizen tot in de puntjes gerestaureerd zijn. De straat is zo schoon dat je ervan kunt eten. De hele stad is één groot pretpark, dat 16 miljoen toeristen per jaar trekt – driemaal het bevolkingsaantal. Maar neem de metro oostwaarts en je ontwaart een ander Singapore, waar je je waant in het Verre Oosten van weleer.

‘Are you here for food or flesh?’ is een veelgehoorde vraag in Geylang. De wijk is roemrucht als rosse buurt, maar ook als eetmekka. Bordelen zijn te vinden in de lorongs met even nummers, eettentjes in de oneven zijstraatjes. Zie hier het tweeledige thema van de Sins & Salvation Tour die Leong Woon Gwee wekelijks leidt. Eerst de zonden bezien en dan volgt de verlossing – in de vorm van riante porties eten. Van niet te versmaden specialiteiten als saté, chilikrab en kokosnasi tot rariteiten als vissenkopcurry, bottenthee en kikkerbillenpap. De titel van de tour is toepasselijk om nog een reden: Geylang is óók de wijk met de hoogste concentratie aan gebedshuizen.

Singapore is al jaren de duurste stad op aarde, maar hier variëren de gerechten in prijs van één tot drie euro. Een kop koffie kost zestig cent, een glas bubbelthee een euro

Recensieramen

Terwijl Gwee voorgaat van eethuis naar eethuis schieten kakkerlakken zo groot als muizen voor zijn voeten weg. “Wij geloven niet in Michelinsterren,” zegt hij met een serieus gezicht, terwijl hij een tafel vol lekkernijen laat aanrukken. “Wij hebben ons eigen systeem. Als een beroemde chef-kok, een tv-ster of onze premier ergens gaat eten, dan staan er de volgende dag dikke rijen voor de deur. Recensies uit kranten en tijdschriften en van foodbloggers worden uitgeknipt en voor de ramen gehangen. Hoe meer het er zijn, hoe beter het restaurant dus wel zal zijn. Soms zijn de ramen en muren er compleet mee behangen.”

Overdag is het hier stil; pas ‘s avonds komt Geylang echt tot leven

In de zijstraatjes zijn behalve bordelen ook vele gebeds- en clanhuizen te vinden

Zo ook bij Ho Kee Pau, op de hoek van Lorong 27 en Sims Avenue. Een typische kopitiam, zo’n Zuidoost-Aziatisch café met basale stoelen en wankele tafels met plastic zeiltjes onder de tl-balken, waar je 24 uur per dag terechtkunt voor snel en smakelijk eten. Gestoomde broodjes gevuld met groenten, kip, vlees, adukibonen of lotuspasta zijn de specialiteit, naast noedels, dimsum, loempia’s, tofoe en rijstepap in allerhande varianten. Singapore is al jaren de duurste stad op aarde, maar hier variëren de gerechten in prijs van één tot drie euro. Een kop koffie kost zestig cent, een glas bubbelthee een euro.

Huismuseum

“Je bent te laat!” roept Peter Wee resoluut. “Dat zei ik tegen die dame van de Singapore Tourism Board, die me kwam vragen hoe men het toerisme naar deze wijk kon stimuleren. Het was hier in Katong nog zo authentiek, vond ze. Flauwekul. De gentrificatie woekert voort, de wijk is onherkenbaar veranderd.” Wee is auteur van boeken over de Peranakan, nazaten van de Chinezen die eeuwen geleden hierheen migreerden, en eigenaar van een huismuseum voor de collectie van tienduizenden objecten, die hij in een halve eeuw bij elkaar verzamelde. “De Chinese cultuur is in China uitgewist. Chinezen komen nu naar Katong om hun historie te ontdekken. Maar ook hier is die aan het verdwijnen.”

Het is een wondere tijdcapsule, dat Katong Antique House. Het honderd jaar oude winkelhuis is volgestouwd met erfgoed: antiek meubilair, gebatikte sarongs, met gouddraad geborduurde stoffen, met kraaltjes versierde slippers, traditionele trouwjurken, handgemaakte sieraden, theeserviezen, zwart-witfoto’s – je ogen weten niet waar ze kijken moeten. Maar Wee stopt ermee. Het huis staat te koop voor zeven miljoen. De complete collectie heeft hij aangeboden aan het Peranakan Museum, maar dat had geen interesse. Beetje bij beetje verkoopt hij de boel. De zilverharige, zachtaardige 70-jarige slaakt een zucht. “Ik zie mezelf als een kunstenaar die zijn levenswerk heeft voltooid. Het is mooi geweest. Ik heb mijn Mona Lisa geschilderd.”

Peter Wee deed er een heel leven over om de collectie Chinees erfgoed in zijn huismuseum bij elkaar te verzamelen

An Acai Affair is een van de vele nieuwe winkeltjes in Katong, dat transformeert van traditionele volksbuurt tot hipsterwijk

Superfoods

In Geylang staat de tijd stil, maar het naburige Katong transformeert in rap tempo tot hipsterwijk. Tegenover Katong Antique House zat sinds mensenheugenis een ouderwetse kopitiam, gespecialiseerd in rijstepap en pekingeend. Nu is hier Firebake gevestigd, een boulangerie met een Grieks-Zwitserse chef-kok die met huisgemalen meel, wilde gist en gefilterd bronwater biologische broden bakt in een zelfgebouwde houtoven. De conceptuele zuurdesems hebben namen als Wave, Field, Rock en Valley en kosten acht tot dertien dollar. Ter plekke eten kan ook; dan wordt het brood opgedist met Franse kippenleverpaté, Japans wagyuvlees, Australische zonnevis of Noorse zalm.

Na talloze andere wijken wordt nu ook Katong in snelkookpantempo klaargestoomd tot de zoveelste hotspot van Singapore. Er verrees een shopping mall van zes verdiepingen, ernaast opende een Amerikaanse keten twee hotels met zeshonderd kamers en er worden appartementencomplexen en een nieuw metrostation gebouwd. Wekelijks opent er wel een nieuw tentje met een vintage-interieur: naar Avenue Café voor een designer-hotdog, Ninethirty voor een chocolademartini, of Sinpopo Brand voor burgers en slushpuppy’s. Hipster dan dit wordt het niet: An Acai Affair is een minimalistisch pijpenlaatje met luttele tafeltjes en een betonnen toonbank, waar niets anders wordt verkocht dan plastic bekers met açaísap, gojibessen, chiazaad, granola, kokossnippers, cacaonibs en amandelschaafsel.

Bij Chin Mee Chin is sinds de jaren 50 niets veranderd: groen-witte tegelvloer, houten stoeltjes, marmeren tafeltjes, zwiepende plafondventilators en hoogbejaarde serveersters

Kokostoast

Globalisatie is een gegeven en niks mis met hippe tenten, maar het zijn de traditionele zaken die Katong de oosterse flair bezorgen. Zoals Chin Mee Chin, waar sinds de jaren 50 niets veranderd is. Groen-witte tegelvloer, houten stoeltjes, marmeren tafeltjes, zwiepende plafondventilators en hoogbejaarde serveersters. ’s Morgens is het aansluiten in de rij voor een typisch Singaporees ontbijtje van zwarte kopi, een getoast bolletje met kaya (kokosjam) en zachtgekookte eieren. Ook de prijs is nostalgisch: voor drie dollar ben je klaar, nog geen twee euro. Rondhangen wordt niet gewaardeerd; het is zitten, eten, betalen en wegwezen, want de rij wacht. CMC, zoals het zaakje in de volksmond heet, is een lokaal instituut.

Chin Mee Chin is een instituut in Singapore, met een lokaal ontbijtje voor twee euro

Traditionele ‘shophouses’ oftewel winkelhuizen in Koon Seng Road in Katong

Yes sir, welkom terug, neemt u plaats!” Als de ontbijtdrukte verdwenen is, doet de clientèle zich in rustiger tempo tegoed aan kopi peng (ijskoffie), Milo (chocomel) of Horlicks (moutmelk) met roomhoorntjes, soesjes, cupcakes, vruchtengebakjes, custardtaartjes en sponscakejes. Peter Chua is de echtgenoot van de bazin, Madam Tan. In het weekend springt hij bij waar nodig. Door de toenemende populariteit van de buurt wordt het voor traditionele zaken als deze steeds moeilijker, vertelt Chua. “De huren stijgen elk jaar weer, tot wel tienduizend dollar per maand. Wij hebben het geluk dat wij niet huren, mijn vrouw is eigenaar van het pand. En de zaken gaan goed, daardoor kunnen we openblijven. Minstens tot het honderdjarig jubileum.”

Papierkunstenaars

Het ene na het andere familiebedrijf sluit de deuren, maar de laatsten der Mohikanen houden dapper stand. Bij Kway Guan Huat worden op een gloeiende plaat flinterdunne deegvellen gebakken voor popiah, de lokale versie van de loempia, gevuld met groenten, vis, garnalen of van alles en nog wat. In het weekend worden er demonstraties gegeven en ze gaan met hun tijd mee: alle ingrediënten, plus kant-en-klare popiah-pakketten, zijn ook online te bestellen. Kim Choo is gespecialiseerd in kueh chang, piramidevormige rijstdumplings in bananenbladeren, volgens stokoud geheim familierecept. De zaken gaan zo goed dat na het kleine winkeltje op Joo Chiat Place op East Coast Road een groter filiaal is geopend.

Het fascinerendst is Chiang Pow Joss-Paper Trading. Joss-paper is dodengeld, het zijn de nepbankbiljetten die tijdens een Chinees begrafenisritueel worden verbrand om de overledene te eren. Van dat papier worden hier poppen, fietsen, auto’s, huizen en zelfs kastelen gebouwd. Deze ‘papierbouwers’ zijn kunstenaars: de grootste constructies vergen dagen werk en kosten tot vijfduizend dollar – die vervolgens in vlammen opgaan, maar dat is dus ook het idee. Madam Chiang leerde het vak in Maleisië, om in Singapore voor zichzelf te beginnen. “Het is een uitstervend ambacht. Jongeren hechten steeds minder waarde aan tradities. Ik geef ons nog een paar jaar, dan is het klaar.”

Een ‘papierbouwer’ werkt aan een kasteel voor een begrafenisritueel

Changi heeft een duistere historie, maar is nu een plezant vakantiedorpje

Rust en recreatie

“Wáár komt u vandaan? Nederland?” De receptionist kijkt verbaasd. “Die krijgen we hier niet vaak. Welkom in onze kampong!” Onder de aanvliegroute van het gelijknamige vliegveld, op de oostpunt van Singapore, ligt Changi. Een vakantiedorp aan de Zuid-Chinese Zee, maar wel een atypisch vakantiedorp. Ooit gesticht als vissersgehucht, door de Britten verbouwd tot luchtmachtbasis, en ook nu nog tot de tanden bewapend. De rit erheen is een tikkeltje intimiderend: Loyang Avenue slingert aanvankelijk door de jungle, maar dan ineens tussen metershoge hekken met rollen prikkeldraad, wachttorens met posterende soldaten, machinegeweren in de aanslag, en borden die waarschuwen dat indringers zonder pardon worden neergeschoten.

De Britse kolonisten zijn allang vertrokken, de militaire bases zijn nu in gebruik door de landmacht, luchtmacht en marine van de Republiek Singapore. Gewone Singaporezen komen hierheen om te slenteren langs strand en waterkant. Het badplaatsje is overzichtelijk: één hoofdstraat met restaurants, één groot hotel, één lang strand, één veerbootpier en één kuststrook met een golfbaan en een trits besloten clubs voor ambtenaren, militairen, zeezeilers en zwemmers. De bevolking van Singapore beschouwt Changi als een vergeten uithoek en dat is precies de verlokking: er valt hier niks meer te doen dan niksdoen. Zon, zee, strand, korte broeken en koud bier: dit is het meest ontspannen stukje Singapore.

Kinderen spelen met emmertjes en schepjes, hun ouders picknicken onder een parasol, her en der wordt gebarbecued, pijnbomen en kokospalmen ruisen in de zeebries

Wandelen over water

Een strandtafereel als een ansichtkaart uit de jaren 60: kinderen spelen met emmertjes en schepjes in het zand, terwijl hun ouders picknicken onder een parasol. Een schoolklas peddelt rond in felgele kano’s, her en der wordt gebarbecued, pijnbomen en kokospalmen ruisen in de zeebries. Overheidsinstantie NParks, die in het kleine Singapore driehonderd stadsparken en vier natuurreservaten bestiert, heeft hier flink huisgehouden. Op een schiereilandje is een groenstrook aangelegd met sappige gazons, slingerpaden, zitbankjes, fietsverhuur, een speeltuin, barbecues en een bistro. Rond lunchtijd stroomt de eetmarkt vol en laaft men zich aan malse lamssaté, verse vis en de lekkerste nasi lemak van het land.

In het Changi Beach Park wordt gejogd, gebarbecued, gefietst en gewandeld

Het park is goed geoutilleerd met slingerpaden, zitbankjes, een speeltuin en barbecues

Changi Point Coastal Walk: twee kilometer wandelroute langs de kustlijn

Aan de landkant van de kreek loopt een twee kilometer lange wandelpromenade, deels over land en strand en deels op palen over de rotsen en in zee, langs mangroves met gravende krabbetjes en ritselende hagedissen, minibaaitjes met vakantiehuizen en waroebomen, en de zeilclub met een strandrestaurant, naar een kelong (platform op palen in zee) met uitzicht op zwerfkeien en de ondergaande zon. Zoals het een tropisch vakantiedorp betaamt, komt Changi pas na zonsondergang echt tot leven. Dan lopen de hotels, clubs en vakantiecomplexen uit en wordt er gegeten, gedronken en gefeest. Het blijft nog lang onrustig in de zwoele nacht van Changi.

Oorlogsverschrikkingen

Naast strand en recreatie is er nog een reden waarom mensen naar Changi komen: de bloedige geschiedenis. Zo ontspannen als het er nu toegaat, zo gespannen was het tijdens de Japanse bezetting van Singapore, toen Changi fungeerde als jappenkamp. In de gevangenis was plek voor zeshonderd mensen, maar er werden drieduizend Maleise burgers en Britse militairen opgesloten. In legerkamp Selarang, gebouwd voor achthonderd man, werden nog eens vijftigduizend Britten, Australiërs en Nederlanders opgeborgen. Als sardientjes in een blik en nagenoeg zonder water en brood. Dagelijks kwamen mensen om het leven door dysenterie, marteling of executie.

Selarang Camp staat er nog, hier zetelen nu infanterie- en geniebataljons. Changi Prison is verplaatst en uitgebreid en biedt onderdak aan tienduizend criminelen, waarvan de meesten vanwege drugs. Die beladen plekken zijn niet te bezoeken, maar pal ernaast staat het Changi Museum. Hier worden de oorlogsverschrikkingen inzichtelijk gemaakt middels brieven en kunstwerken van krijgsgevangenen, door inflatie waardeloos ‘bananengeld’, stukjes van parachutes waarmee voedselpakketten werden gedropt en zwart-witfoto’s, bijvoorbeeld van onthoofdingen in ISIS-stijl. Vitrines, filmpjes, maquettes en replica’s maken inzichtelijk hoe de Japanners drie jaar lang dood en verderf zaaiden in Singapore, en bovenal hier in Changi.

Vakantiedorpje Changi ligt onder de aanvliegroute van het gelijknamige vliegveld

Replica van een door krijgsgevangenen gebouwde kapel in het Changi Museum

Op natuureiland Pulau Ubin leven herten, apen, neushoornvogels en everzwijnen

Natuureiland

Een Brits gezinnetje fietst richting moerasgebied Chek Jawa. Als man en dochter hun fietsen al parkeren, is de vrouw wat achtergebleven om de natuur te bewonderen. Ineens maakt ze een noodstop. Pal voor haar neus steekt een everzwijn het bospad over, om halverwege te pauzeren en haar aan te staren. Een imposant beest zonder aaibaarheidsfactor, groot als een schaap, met kraalogen, een borstelige vacht en scherpe slagtanden. Als boven haar hoofd het bladerdak hevig begint te ritselen, slaakt de vrouw een gilletje – een paar apen steken ook over, maar dan bovenlangs. Het zwijn laat een diepe knor horen en schuifelt dan weg. De vrouw haalt opgelucht adem.

Dwergherten, otters, makaken en neushoornvogels: je verwacht ze eerder op Borneo of Bali dan in futuristisch Singapore. De stad is een betonnen jungle waar je zelden een vogel hoort fluiten, maar de natuur is nabij. Op tien minuten per veerboot van Changi ligt Pulau Ubin, een relatief ongerept, boemerangvormig natuureiland. Heel lang geleden bestond Singapore nog niet uit wolkenkrabbers met luxehotels en winkelcentra, maar uit regenwoud met her en der een kampong van eenvoudige huizen op palen, omringd door doerianbomen, kokospalmen en vissersgerei. En precies zo is het op Pulau Ubin nog steeds. Hier stap je een halve eeuw terug in de tijd.

“Kom verder, kom verder!” klinkt het luidkeels bij de tachtig jaar oude tempel Wei Tuo Fa Gong. “Nee hoor, je hoeft je schoenen niet uit te trekken, wij doen hier niet zo moeilijk”

Schrammen en builen

Ooit woonden hier 2.500 mensen, die werkten in de steengroeven waarnaar dit ‘granieteiland’ is vernoemd – hier kwamen de bouwblokken vandaan voor de moderne stad. Nu wonen er nog achtendertig mensen, zonder elektriciteitsnet, waterleiding of riolering. Dergelijke eilandjes zijn doodgewoon in Maleisië en Indonesië, maar in Singapore is Ubin een levend museum. Het gemotoriseerde verkeer beperkt zich tot de Landrover van de eilandpolitie, een taxibusje en een paar brommertjes. De geijkte manier om het eiland te verkennen is per huurfiets – ook al hebben veel bezoekers nog nooit op een fiets gezeten en is het landschap van Pulau Ubin niet bepaald zo plat als een pannenkoek.

Vergeleken bij het futuristische centrum van Singapore is Ubin een tropische oase

Teck Seng’s Place is een gerestaureerd kamponghuis, heringericht in jaren-70-stijl

Vanaf de hoogste heuveltop kan de 28-jarige Sujon net niet zijn thuisland Bangladesh zien liggen. Zoals twintigduizend van zijn landgenoten werkt hij in Singapore in de bouw. Hier zijn migranten nog gastarbeiders: zwaar werk, zes dagen per week, lange dagen buiten onder de brandende zon, tegen schamele betaling. Zijn vrije dag benut hij voor een microvakantie op dit mini-eiland. In tegenstelling tot alle overige toeristen is Sujon niet doorweekt van het zweet – hij is wel wat gewend. Als hij verder fietst, gaat het mis. In volle vaart suist hij van een heuvel af, maar als hij een bocht nadert, remt hij te hard en smakt tegen het asfalt.

Taoïstische tempel

Een Australisch meisje, type rugzaktoerist, lijkt ergens een verkeerde afslag te hebben genomen en stapt met open mond van haar fiets, die ze parkeert tegen de stam van een kokospalm. Aan het einde van een onverhard pad, bij een lotusvijver met meer schildpadden dan lotusbloemen, waarboven kleurige gebedsvlaggetjes wapperen in de wind, staat de tachtig jaar oude tempel Wei Tuo Fa Gong. Er is verder niemand te bekennen. “Kom verder, kom verder!” klinkt het luidkeels vanuit het niets. “Nee hoor, je hoeft je schoenen niet uit te trekken, wij doen hier niet zo moeilijk.”

Van de grootste naar de kleinste tempel is een paar minuten fietsen. De Schrijn van het Duitse Meisje is de buitenissigste toeristische attractie van Singapore. Tijdens de Grote Oorlog, als soldaten hier een Duitse plantagehouder oppakken, vlucht zijn 18-jarige dochter de jungle in. Een dag later wordt ze gevonden – dood, want in een steengroeve gestort. Rond de urn wordt een tempeltje gesticht en tot op heden wordt het naamloze meisje aanbeden als de godheid van goed geluk bij het gokken. Vreemd verhaal? Minstens zo vreemd zijn de offerandes: Barbiepoppen, knuffeldieren, snoepgoed, sieraden, make-up, reukwater en Duits bier.

De geijkte manier om natuureiland Pulau Ubin te verkennen is per huurfiets

Een tachtig meter hoge toren op Ubin kijkt uit op het hoofdeiland van Singapore

Een koloniaal huis in Tudorstijl dient nu als het bezoekerscentrum van Check Jawa

Onderwaterwereld

Wenkkrabben, rankpootkreeften en pistoolgarnalen komen bovendrijven zodra de zee zich terugtrekt. Tanjong Chek Jawa, de oostkaap van Ubin, wordt omringd door een mangrovemoeras, koraalrif en zoutwaterlagune die bij zeer laag water droogvallen, zodat de wondere onderwaterwereld zichtbaar wordt. Dit is het natuurlijke hoogtepunt van het eiland, al vergt een bezoek wel wat planning: pakweg tweemaal per maand openbaart het natuurverschijnsel zich. Maar ook op andere momenten is het een fraai natuurgebied, dat ook al verkend kan worden via zo’n wandelpad op palen. Een twintig meter hoge toren kijkt op het bladerdek, waarin met geduld en geluk witbuikzeearenden, bonte neushoornvogels en witkraagijsvogels te zien zijn.

Het Australische meisje, de Bengaalse jongen en het Britse gezinnetje zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen: buitenlanders zijn zeldzaam op Ubin. Wekelijks trekt het eiland 2.500 bezoekers, vooral Singaporezen op zoek naar hun roots. “Ik moest hierheen van mijn ouders,” zegt een jonge skateboarder op de veerboot. “Ooit was heel Singapore zo, groen en rustig, maar dat was voor mijn tijd. Ik vind het hier prachtig, al is het wel primitief. Ik snap niet dat mensen nog zo kunnen leven. Leuk voor een dagje, maar ik ben blij dat wij thuis wél airco hebben.” <<

Het dorpje op Pulau Ubin is de laatste resterende kampong van Singapore

Logeren in Singapore
Geylang
Deze wijk is het domein van budgethotels die kamers verhuren per uur en waar een goede nachtrust niet gegarandeerd is. Five/6 Hotel Splendour (2pk va. € 75) is de uitzondering: een nieuw driesterrenhotel met 72 frisse kamers. In een rustig straatje met hotels, appartementen en clanhuizen, maar midden in de rosse buurt, dus minder geschikt voor tere zieltjes. Geen ontbijt, maar voldoende kopitiams in de buurt.
Katong
De betonnen jaren-70-architectuur is niet aan iedereen besteed, maar van binnen is Village Hotel Katong (2pk va. € 110) van alle gemakken voorzien. De locatie is ideaal en de kamers zijn ruim en modern ingericht met subtiele Peranakan-invloeden. Het minigidsje Live Like A Local en een gratis te gebruiken smartphone wijzen de weg naar de highlights van de wijk, die allemaal op loopafstand zijn.
Changi
Het grootste hotel is het toepasselijk genaamde Village Hotel Changi (2pk va. € 110) met 4 sterren, 380 kamers en een riante lobby met prima restaurant – al is de spotgoedkope eetmarkt met zijn tachtig kraampjes op struikelafstand. Pluspunten: ruime en modern ingerichte kamers, een gratis te gebruiken smartphone met toeristische tips en een zwembad op het dak met panoramisch zeezicht.
Pulau Ubin
Sinds een regen van vernietigende recensies de deur dichtdeed voor het enige hotelletje, is de enige manier om op het eiland te overnachten een zelf meegebracht tentje. Er zijn drie natuurcampings: Jelutong in het zuiden en Mamam en Noordin in het noorden, maar de laatste is wegens stranderosie tijdelijk gesloten. Kamperen is gratis, faciliteiten blijven beperkt tot een hurktoilet, picknicktafel en kampvuurkuil.

Village Hotel Katong biedt kamers met subtiele Peranakan-invloeden

Het zwembad op het dak is een pluspunt van het Changi Village Hotel

Oorspronkelijk gepubliceerd in: ,

Gratis nieuwsbrief
Wil jij mijn reisreportages in je mailbox? Ik stuur je graag eens per kwartaal mijn nieuwsbrief.

error: © Sander Groen • Reisjournalist